Overlast

Leefbaarheid is iets wat we met elkaar realiseren.
Leefbaarheid maakt dat de omgevingsfactoren zodanig zijn ingevuld dat burgers zich kunnen ontplooien en zich prettig voelen.

Leefbaarheid is ook broos want er zijn talloze bedreigingen die het verstoren.

Door de tijd hebben we met elkaar ontdekt wat die bedreigingen zijn en hebben we regels afgesproken om deze te voorkomen. De regels zijn vastgelegd in het Wetboek van Strafrecht. Regels zijn zinvol mits er toezicht wordt gehouden op de naleving ervan. Maar ja…gebeurt dat wel als het gaat om gedrags- en groepsoverlast?

Overlast wordt in de Van Dale gedefinieerd als “Geweld, of in verzwakte betekenis, moeite, hinder, schade die iemand te leiden heeft.”
Overlast is voor iedereen iets anders en hiermee subjectief. Het gaat immers om een perceptie van de werkelijkheid. Het is de individuele burger die definieert wat overlastgevend is; wanneer hij iets ervaart als een inbreuk op zijn welbevinden.
In essentie is het overlastprobleem verwoord in het spanningsveld tussen de vrijheid van het individu en de leefbaarheid van de samenleving. De individuele burger heeft het recht zijn tijd in te vullen zoals hij dat wil, mits de vrijheden van de andere en de leefbaarheid van de brede samenleving niet in het gedrang komen.

Stadsprobleem

Problemen van overlast zijn vooral een stedelijk fenomeen. Daarvoor zijn verschillende verklaringen. Er is de beperkte fysieke en sociale infrastructuur van de stad: de kleine behuizing, het dicht op elkaar wonen, soms in slecht geïsoleerde appartementen. Er is een gebrek aan groen- en speelvoorzieningen of deze zijn slecht toegankelijk of kwaliteitsvol.
Bepaalde groepen zoals ouderen of kansarme gezinnen zijn beperkt mobiel. Ze zijn daarom sterker aangewezen op de onmiddellijke leefomgeving. Ze brengen er veel tijd door en hebben zo de meeste kans om hinder te ondervinden.
Ook sociale cohesie speelt een rol: in de stad kennen mensen elkaar minder goed. Door de beperkte herkenbaarheid durven mensen elkaar niet aan te spreken op storend gedrag. De stad herbergt ook groepen met verschillende levensstijlen, dat botst wel eens.

Rondhangen van jongeren wordt al snel geproblematiseerd en geassocieerd met overlast, vandalisme en druggebruik. Of het roept bij omwonenden of passanten onveiligheidsgevoelens op. Met rondhangen is op zich niets mis. Problematisch wordt het pas als er grenzen overschreden worden, als rondhangen wordt gecombineerd met lawaai, vandalisme, geweld en criminaliteit.

Symptoombestrijding?

De aanpak van overlast is niet eenvoudig. Zeker als het gedragsoverlast betreft. Het Wetboek van Strafrecht is gericht op de aanpak van concrete strafbare feiten. Een situatie vergt een heldere en eenduidige strafrechtelijke basis om te kunnen straffen. Als het gaat om gedragsoverlast is er vaak eerder sprake van hinder en klachten dan van strafbare feiten. Het is vaak wachten op die ene keer dat er een concreet strafbaar feit plaatsvindt, maar dan wordt ook alleen bestraft voor dat ene feit en niet voor het algehele gedrag.
Dit is een probleem. Als jongeren met gedragsproblemen alleen worden aangepakt op zichtbare (lichte) overtredingen dan geeft dit hen een gevoel van onaantastbaarheid. En zo zullen zij zich gaan gedragen. Andersom zal de omgeving het gevoel hebben dat de problematiek alleen op symptomen wordt aangepakt en dit zal het gevoel voor onveiligheid aanwakkeren.

De oplossing voor de aanpak van gedragsoverlast is in eerste instantie het voorkomen ervan en in tweede instantie een effectieve aanpak als het niet anders kan. Idealiter wordt een probleem vroegtijdig herkend en worden er maatregelen genomen voordat er daadwerkelijk overlast (of erger) ontstaat.
Daarvoor is het nodig om groepen (jongeren) te volgen zodat een beeld ontstaat van de samenstelling, de sleutelfiguren en of de groep aan het criminaliseren is. Als er voldoende wordt vastgelegd vanaf het moment dat de eerste signalen binnenkomen, dan ontstaat automatisch een dossier. Een dossier dat een juist en vooral volledige weergave schetst van de historie en actuele status.
Een dergelijk dossier is nodig zodra het moment bereikt is dat er maatregelen getroffen moeten worden. Het dossier dient als basis voor een individueel plan van aanpak dat door betrokken gezamenlijk wordt opgesteld. Vanuit het plan volgt afdoening of een aanbod van hulpverlening en/of zorg.

Informatiepositie

In het proces van “identificatie – dossiervorming – planvorming – executie” is een kwalitatief goede informatievoorziening essentieel. Voor het herkennen en oplossen van problemen moet er voldoende gegevens beschikbaar zijn, om tot een geschikte aanpak te komen. Voor het opsporen van problemen moeten dus ALLE incidenten worden vastgelegd. Juist ook de kleine voorvallen, zoals waarschuwingen, klachten en waarnemingen.

De belangrijkste informatiebron is de burger die middels het indienen van meldingen en klachten signalen afgeeft. De tweede informatiebron zijn de eenheden van toezicht en handhaving.
Daarnaast zijn er ook andere belangrijke informatiebronnen zoals scholen, ondernemers, sportverenigingen, woningbouwverenigingen, etc.

In de praktijk zijn er een aantal knelpunten. De kennis van burgers en toezichthouders blijft veelal tussen de oren en wordt onvoldoende geregistreerd. Als het mis gaat ligt er vaak alleen een mager dossier met daarin de strafbare feiten, zonder de klachten en waarschuwingen etc. Zo geeft een dossier geen realistisch beeld van de volledige historie en werkelijkheid.
Een ander probleem is de versnippering van de registraties. Iedere instantie heeft zijn eigen systeem en dat maakt dat de bouwstenen van het dossier opgeslagen ligt in meerdere systemen verdeelt over meerdere instanties. Men weet vaak van elkaar niet wat er allemaal over een individu bekend is. Laat staan dat de instanties in elkaars registraties mogen kijken.

Gelukkig zijn er ook positieve ontwikkelingen zoals de opkomst van de veiligheidshuizen. In een Veiligheidshuis werken instanties op één locatie samen aan opsporing, vervolging, berechting en hulpverlening. De ketenpartners signaleren problemen, bedenken oplossingen en voeren die samen uit. Werkprocessen worden op elkaar afgestemd, zodat strafrecht en zorg elkaar aanvullen. In welke mate zij het probleem rond de aanvoer van informatie hebben opgelost, is nog onduidelijk.

Onderzoek

In-pact heeft een onderzoek gedaan naar de rol van de gemeente en de politie bij gedragsoverlast van jongeren. Hiervoor heeft In-pact diverse interviews gehouden bij deze organisaties en het OM. Dit heeft geleid tot een interessant beeld over de ontwikkelingen rond Toezicht en Handhaving en de verhoudingen tussen de uitvoerende instanties.
Voor de toezicht- en handhavingseenheden van de gemeente heeft In-Pact een best-practice ontwikkeld die voorziet in de aanpak van jeugdoverlast. De toepassing van de best-practice bestaat uit een aantal stappen die leiden tot een professionele, informatiegestuurde organisatie.

Het volledige rapport "De aanpak van gedragsoverlast" kunt u downloaden door op de hyperlink te klikken.

"Het leuke van externe ondersteuning bij dit soort trajecten is dat je verbindingen kunt leggen tussen mensen én tussen andere domeinen."

John Rassin
Senior adviseur

Bekijk dit artikel.